
Al jarenlang aanvaarden we dat alles wat groeit zal krimpen en alles
wat zich ontwikkelt, onvermijdelijk achteruit zal gaan. Zo redeneren is beweren
dat de cognitieve achteruitgang een noodzakelijk kwaad is van het normale
verouderingsproces en dat we machteloos staan tegenover dit fenomeen.
De eerste studies met vergelijkingen van groepen personen uit
verschillende ouderdomsgroepen staven deze thesis. Slechts wanneer
het resultaat
van belangrijke, vooruitziende studies met dezelfde personen gedurende
meerdere jaren, gepubliceerd zullen worden, zal een nieuwe tendens
ontstaan.
Alhoewel we beslist een vertraging van de cognitieve behandeling
bij de oudere personen vaststellen, is dit slechts in proportie met
de rechtstreekse functionele gevolgen. In ander woorden, hoe ouder
we worden, des te meer sommige zaken meer tijd nodig hebben, maar
deze vertraging leidt niet noodzakelijk tot een vermindering van
de kwaliteit ervan. Men zou gespecialiseerde activiteiten gebaseerd
op de snelheid, zoals die van een straalpiloot, dienen te bestuderen
om dit achteruitgangproces te vertalen in een belangrijk verlies
van de functie. Veilig rijden is in dit domein zonder twijfel een
belangrijk thema.
Er zijn grote verschillen tussen de talrijke types cognitieve achteruitgang,
eigen aan elke persoon. Terwijl sommigen met een noemenswaardige
achteruitgang te kampen krijgen zullen anderen enkel een kleine achteruitgang
of zelfs geen enkele kennen.
Overigens wordt het verlies niet onder iedereen gelijk verdeeld.
De nauw aan het hart liggende activiteiten zullen in het algemeen
het minste aangetast worden.
De
vragen die men zich dan kan stellen zijn de volgende :
- Wie zijn de personen die hun cognitieve vitaliteit tot een
gevorderde leeftijd kunnen vrijwaren?
- Gaat het om een bijkomend geval van erfelijke voorbestemming
of kan de levenswijze in het verleden deze tendens beïnvloeden?
Het aantal jaren studies is een belangrijke
factor waarvan de belangrijkste rol in het voorspellen van de cognitieve
vitaliteit systematisch in de vele uitgevoerde studies aangetoond
werd. Zo lijden personen die hogere studies gedaan hebben minder
onder de cognitieve achteruitgang, afhankelijk van de ouderdom. De
cognitieve weerstand van deze personen kan echter niet enkel aan
de studies te wijten zijn.
Deze drie of vier jaar kunnen niet op zich aan de basis liggen
van de enorme voordelen die hier meer dan veertig jaar later
uit voortvloeien. Realistischer gesteld hebben een gemiddeld aantal
personen
die hogere studies gedaan hebben mentaal meer stimulerende jobs uitgeoefend.
Zo zijn hun hersenen hun professionele leven lang beslist actiever
geweest. Dit steunt op huidige studies over de rol van de moeilijkheidsgraad
ten overstaan van de cognitieve vitaliteit.
Onderzoek over de levenswijze van personen die hun cognitieve vitaliteit
op latere leeftijd behouden, geeft nog meer sleutelfactoren van dit
behoud.
Hobby’s zoals schaken, bridgen, kruiswoordraadsels invullen
en puzzelen komen op een goede plaats. Net zoals lezen of een muziekinstrument
bespelen vraagt in het algemeen om een actieve mentale inbreng.
De meest passieve vormen van hobby’s zoals televisie kijken
zijn eerder risicofactoren dan factoren voor het behoud.
|